Categoriearchief: Woningen

Hoe opdrachtgevers de Circulaire Bouwtransitie Versnellen

Inleiding: De Sleutelrol van de Opdrachtgever

De bouwsector heeft een aanzienlijke ecologische voetafdruk. Wereldwijd is ongeveer 40% van de broeikasgasemissies toe te schrijven aan de bouw, het gebruik en de sloop van gebouwen. In het licht van deze realiteit heeft Nederland de ambitie uitgesproken om in 2050 een volledig circulaire economie te realiseren. Een dergelijke transitie vereist een fundamentele verandering in de gehele bouwketen. De cruciale motor achter deze verandering zijn de opdrachtgevers. Van overheden en woningcorporaties tot private projectontwikkelaars: zij bepalen de vraag en hebben daarmee de macht om de hele keten – van ontwerp tot sloop – in beweging te zetten richting een duurzame en circulaire toekomst.

1. Wat is Circulair Bouwen Precies?

Circulair bouwen is het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van materialen, gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Dit principe omvat de gehele levenscyclus van een bouwwerk, van het eerste ontwerp tot de uiteindelijke demontage en het hergebruik van componenten. Binnen de circulaire economie worden vier kernstrategieën onderscheiden om dit doel te bereiken:

  • Narrow the loop: Preventie en reductie van de impact gedurende de levenscyclus. Dit betekent efficiënter bouwen en het minimaliseren van materiaalgebruik en afval.
  • Slow the loop: Toekomstbestendig bouwen, de levensduur van gebouwen en materialen verlengen en focussen op de bestaande bouw door onderhoud, reparatie en hergebruik.
  • Close the loop: De kringloop sluiten door hergebruik en de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Vrijkomende materialen worden niet als afval gezien, maar als grondstof voor nieuwe projecten.
  • Substitute: Maximale inzet van hernieuwbare en biobased grondstoffen, zoals hout en vlas, ter vervanging van eindige, primaire materialen.

2. De Stand van Zaken: Groeiend Besef, Grote Uitdagingen

Het bewustzijn rond circulair bouwen groeit. Het aandeel organisaties dat actief bezig is met circulair bouwen is gestegen van 54% in 2018 naar 69% in 2023. Ondanks deze positieve trend, staat de sector nog voor aanzienlijke uitdagingen op weg naar een volledig circulaire praktijk. Deze uitdagingen laten zien waar gerichte sturing door opdrachtgevers het hardst nodig is.

  1. Kennis is gefragmenteerd en perceptie is beperkt: De perceptie van circulair bouwen is vaak nog te nauw. Voor 81% van de respondenten wordt het primair geassocieerd met hergebruik. Daarnaast geeft 58% aan behoefte te hebben aan meer kennis en informatie over het onderwerp.
  2. Gebrek aan een uniforme meetmethode belemmert de voortgang: Een gebrek aan standaardisatie bemoeilijkt de voortgang. Maar liefst 57% van de professionals in de sector ervaart het ontbreken van een uniforme meetlat voor circulariteit als een groot probleem.
  3. De overstap naar biobased materialen blijft achter: De omslag naar duurzame materialen is nog beperkt. In 2024 was het aandeel biobased materiaal in de totale massa van nieuwbouwwoningen slechts 1,6%.

3. De Opdrachtgever aan het Roer: Sturen op Impact

Om de uitdagingen van inconsistente meting en een nauwe perceptie van circulariteit het hoofd te bieden, beschikken opdrachtgevers over krachtige instrumenten om de markt te sturen op meetbare impact. Als grote opdrachtgever speelt de overheid hierin een cruciale voorbeeldrol. Met de “Strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuur” (KCI) voor de grond-, weg- en waterbouw (GWW) en het strikter hanteren van eigen inkoopcriteria, zet het Rijk een duidelijke standaard. Private en publieke opdrachtgevers kunnen deze lijn volgen en de markt sturen met concrete instrumenten. De twee belangrijkste zijn:

  • Voor Gebouwen: De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De MPG is een score die de totale milieu-impact van de gebruikte materialen in een gebouw over zijn volledige levenscyclus berekent. Het is een krachtig instrument om te sturen op duurzamere materiaalkeuzes. De ambitie van het kabinet is helder: de milieuprestatie van nieuwe woningen moet uiterlijk in 2030 gehalveerd zijn.
  • Voor Infrastructuur: De Milieu Kosten Indicator (MKI) De MKI vervult een vergelijkbare rol in de GWW-sector. Deze indicator drukt de milieueffecten van een product of project uit in één enkele score in euro’s, en wordt ingezet om duurzaamheid te bevorderen bij de inkoop en aanbesteding van infrastructurele projecten.

Deze instrumenten vragen om een fundamenteel andere benadering van vastgoed, zoals architect Menno Rubbens treffend verwoordt: “Dit draait om een andere manier van denken over vastgoed. Je bouwt niet om een gebouw 100 jaar op zijn plaats te laten staan, maar om het 100 jaar te laten meegaan, indien nodig op meerdere plekken.”

4. Inspiratie uit de Praktijk: Voorbeelden van Circulair Opdrachtgeverschap

Aeres Hogeschool “De Groene Long”: Een Schoolvoorbeeld van Ambitie

Aeres Hogeschool in Almere stelde als opdrachtgever circulariteit en duurzaamheid centraal bij de ontwikkeling van hun nieuwe gebouw. Het resultaat is een pand met een indrukwekkende Building Circularity Index (BCI) score van 53% en een WELL Platinum certificering, mede dankzij maatregelen als de dichtbegroeide gevels en het gebruik van circulair beton. Dit project is een treffend voorbeeld van de Substitute-strategie door de toepassing van biobased materialen en de Close the loop-strategie door het gebruik van circulair beton. De tip van projectmanager Bjorn Brink voor andere opdrachtgevers: daag uitvoerende partijen uit om met duurzame en circulaire alternatieven te komen en houd hier doelbewust budget voor achter.

Janssen de Jong Groep: Bouwen om te Oogsten

Bouwbedrijf Janssen de Jong Groep vult zelf de rol van circulaire opdrachtgever in. Met hun ModuFair concept realiseren ze losmaakbare, conceptmatige appartementencomplexen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van circulair beton en materialen die zijn “geoogst” uit oude gebouwen. Hun aanpak is een krachtige demonstratie van de Close the loop-strategie, waarbij geoogste materialen uit oude gebouwen worden verwerkt tot grondstoffen voor nieuwe. Deze aanpak is geworteld in de visie van CEO Ivo van der Mark: “Ik zou ontzettend trots zijn als over enkele tientallen jaren iemand een door ons gebouwd pand oogst en zegt: ‘Zo, dat hebben die gasten toen goed in elkaar gezet’.”

De Tijdelijke Rechtbank Amsterdam: Een Gebouw op Reis

Dit project van cepezed projects demonstreert de waarde van demontabel en remontabel bouwen, een sleutelprincipe binnen de Slow the loop-strategie dat garandeert dat componenten meerdere levenscycli kunnen doorlopen. De rechtbank in Amsterdam werd ontworpen als een permanent gebouw voor tijdelijk gebruik op die locatie. Na vijf jaar is het, zoals gepland, volledig gedemonteerd. De componenten zijn vervolgens naar Enschede vervoerd, waar het gebouw is heropgebouwd om als bedrijfsverzamelgebouw een nieuwe functie te krijgen.

5. De Toekomst is Biobased

De Substitute-strategie, gericht op het vervangen van traditionele bouwmaterialen door hernieuwbare en biobased alternatieven, wint snel aan terrein. Materialen als hout, stro en lisdodde bieden niet alleen een duurzaam alternatief, maar slaan tijdens hun groei ook CO2 op.

“Onze gids laat zien: het nieuwe normaal bestaat al. Alles wat je nodig hebt voor biobased bouwen is beschikbaar,” stelt Sandra Nap van Holland Houtland. Dit sentiment wordt ondersteund door concrete initiatieven zoals de “Greendeal Houtbouw” in de Metropoolregio Amsterdam. Hierin werken overheden en marktpartijen samen om de ambitie te realiseren dat in 2025 20% van de woningbouwproductie uit hout en andere biobased materialen bestaat.

6. Conclusie: Van Ambitie naar Actie

De opdrachtgever is de onmisbare spil in de transitie naar een circulaire bouweconomie. Door de vraag bewust te sturen met instrumenten als de MPG en MKI, en door circulair in te kopen, kan de gehele keten worden aangezet tot duurzamere praktijken. De voorbeelden laten zien dat het mogelijk is om ambitieuze circulaire doelen te realiseren.

De weg vooruit vereist echter meer dan alleen ambitie. Zoals Menno Rubbens aangeeft, is er een dringende noodzaak voor nieuwe financiële modellen. Taxateurs moeten leren om niet alleen naar de huidige waarde te kijken, maar ook naar de toekomstige waarde van demontabele bouwelementen die opnieuw kunnen worden ingezet. Door de kracht van de vraag slim en consequent in te zetten, kunnen opdrachtgevers de transitie van ambitie naar grootschalige actie versnellen en een duurzame, circulaire gebouwde omgeving voor toekomstige generaties realiseren.

Het Energiedebat – TK25

De verdeling van de 150 Kamerzetels over de partijen na een verkiezing bepaalt welke coalities een meerderheid kunnen vormen. Programmatische overeenkomsten en belangrijke verschillen tussen partijen zijn cruciaal voor de haalbaarheid van een regering. Op basis van de beschikbare bronnen kan AI de partijen groeperen en potentiële coalities bespreken als de energietransitie het belangrijkste onderwerp zou zijn.

Groepering van Partijen op Kernpunten:

1. Partijen die de energietransitie fundamenteel willen stopzetten of de basis ervan verwerpen:

  • PVV: Wil stoppen met de energietransitie, geen windturbines of zonneparken, bestaande windturbines afbreken, kolen- en gascentrales openhouden en kerncentrales bijbouwen [eerder gesprek]. Zij willen zich terugtrekken uit het Parijsakkoord en de Klimaatwet intrekken [eerder gesprek].
  • Forum voor Democratie (FVD): Gelooft niet in het klimaatprobleem, wil stoppen met kostbare klimaatplannen, de Klimaatwet intrekken en het Parijsakkoord opzeggen. Ze pleiten voor het hervatten van gaswinning in Groningen en het bouwen van tien nieuwe kerncentrales, inclusief onderzoek naar thorium [eerder gesprek, fvd verkiezingsprogramma-2025.pdf]. FVD wil de energiesector nationaliseren en een wettelijk verbod op nieuwe windturbines en afbraak van bestaande parken [fvd verkiezingsprogramma-2025.pdf].

2. Partijen die de energietransitie willen voortzetten, met een focus op kernenergie en/of realisme:

  • VVD: Kiest voor een schone en onafhankelijke economie, versnelling van de energietransitie en ziet kernenergie als een noodzakelijk onderdeel van een robuust en toekomstbestendig energiesysteem. Zij willen de bouw van vier grote kerncentrales versnellen en streven naar de eerste Small Modular Reactor (SMR) vóór 2035 [VVD Verkiezingsprogramma-TK-VVD2025.pdf].
  • Nieuw Sociaal Contract (NSC): Neemt verantwoordelijkheid voor CO2-reductie en ziet kernenergie als onmisbaar, met voorbereidingen voor ten minste vier nieuwe kerncentrales en exploratie van SMR’s [NSC partijprogramma.pdf].
  • CDA: Pleit voor een combinatie van ambitie en realisme in de energietransitie, en committeert zich aan het Klimaatakkoord van Parijs. Ze pleiten voor een mix van duurzame energie en kernenergie, en ondersteunen de ontwikkeling van SMR’s [CDA-Bouwen-op-vertrouwen-concept-verkiezingsprogramma-2025.pdf].
  • SGP: Wil het gebruik van milieubelastende brandstoffen in drie decennia zoveel mogelijk afbouwen, maar zonder wettelijke vastlegging van concrete CO2-reductiedoelen. De SGP pleit voor een brede energiemix, inclusief kernenergie, en is terughoudend ten aanzien van windparken op zee en zonneparken op landbouwgronden [SGP Concept verkiezingsprogramma 2025-2029-website.pdf].
  • BBB: Streeft naar betaalbare duurzame energie en wil de transitie zorgvuldig aanpakken, waarbij fossiele energie niet wordt uitgefaseerd zolang betaalbare alternatieven ontbreken. BBB onderzoekt diverse energiebronnen zoals nucleaire energie en wil netcongestie aanpakken [BBB_VERKIEZINGSPROGRAMMA_NOV2023_Corr5.pdf].

3. Partijen die de energietransitie willen versnellen, met een focus op duurzame bronnen en/of maatschappelijke rechtvaardigheid:

  • GroenLinks-PvdA: Streeft naar een klimaatneutraal Nederland in 2040 en 65% CO2-reductie in 2030. Ze willen fors investeren in wind op zee en zijn tegen kernenergie en houtgestookte biomassacentrales [GL_PVDA Conceptverkiezingsprogramma-GroenLinks-PvdA-2025.pdf].
  • SP: Pleit voor een “supersociale” aanpak en publieke regie op de energievoorziening. De SP is tegen kernenergie en grootschalige CO2-opslag, en wil alle olie- en gasprojecten stopzetten [SP_Concept_Verkiezingsprogramma.pdf].
  • D66: Kiest voor een economie die “bloeit binnen de grenzen van de planeet” en ziet de energietransitie als een kans. D66 investeert in windmolens op zee, zonnepanelen op daken en staat open voor kernenergie voor een stabiel systeem [Concept-verkiezingsprogramma 2025–2030 | D66].
  • Volt: Streeft naar een klimaatneutraal Nederland en EU in 2040. Volt wil direct stoppen met fossiele subsidies, geen nieuwe olie- en gasboringen, en ondersteunt de bouw van kerncentrales (SMR’s) en CO2-opslag als transitiemodel [volt_concept_verkiezingsprogramma_2025.pdf].

Programmatische Overeenkomsten en Verschillen voor Regeringsvorming:

Mogelijke Coalitieblokken:

Blok A: Rechts-Conservatieve Coalitie (bij voldoende zetels voor deze partijen)

  • Samenstelling: PVV, FVD.
  • Overeenkomsten: Beide partijen delen een zeer kritische tot afwijzende houding ten opzichte van de energietransitie en klimaatbeleid. Ze pleiten voor meer fossiele brandstoffen en kernenergie, en een drastische beperking van immigratie. Ook zijn ze uitgesproken kritisch op de Europese Unie en pleiten ze voor het intrekken van internationale verdragen [eerder gesprek, PVV_Programma_Digi_2025.pdf, fvd verkiezingsprogramma-2025.pdf].
  • Grote uitdagingen: De extreme standpunten op meerdere dossiers maken samenwerking met andere partijen zeer moeilijk.

Blok B: Centrumrechts Kabinet met Pragmatische Aanpak

  • Samenstelling: VVD, NSC, BBB, CDA (met mogelijke toevoeging van SGP).
  • Overeenkomsten:
    • Energietransitie: Deze partijen zien kernenergie als een belangrijke, dan wel onmisbare, stabiele energiebron voor de toekomst [VVD, NSC, CDA, SGP, BBB bronnen]. Ze willen netcongestie aanpakken en de energietransitie betaalbaar houden [VVD, NSC, BBB, CDA, SGP bronnen]. Er is ruimte voor duurzame energie, maar met oog voor haalbaarheid en kosten.
    • Woningbouw: Alle partijen pleiten voor het fors verhogen van de woningbouwproductie en het wegnemen van bureaucratische belemmeringen [VVD, NSC, BBB, CDA, SGP bronnen]. Er is aandacht voor zowel sociale als betaalbare huur- en koopwoningen.
    • Migratie: Er is een breed gedeelde wens om de migratiestroom te beheersen en te beperken. Hoewel de mate van strengheid en de manier waarop dit wordt nagestreefd verschilt, willen VVD, NSC, CDA en SGP de instroom verminderen en betere controle aan de grenzen [VVD, NSC, CDA, SGP bronnen].
    • Overheid/Regeldruk: Deze partijen pleiten voor een effectievere, minder bureaucratische overheid die de menselijke maat centraal stelt. Ze willen regeldruk verminderen en meer aandacht voor de regio [VVD, NSC, BBB, CDA, SGP bronnen]. BBB en NSC zijn uitgesproken voor decentralisatie en meer regionale zeggenschap [BBB, NSC bronnen].
  • Grote uitdagingen: Hoewel de SGP op veel economische en migratiepunten kan aansluiten, kunnen hun sociale-ethische standpunten spanning veroorzaken met de meer liberale koers van de VVD en D66. De snelheid van de energietransitie en de aanpak van stikstof kunnen ook discussiepunten zijn, waarbij BBB en SGP mogelijk terughoudender zijn dan VVD of CDA.

Blok C: Progressief Kabinet met Sterke Publieke Regie

  • Samenstelling: GroenLinks-PvdA, SP, D66, Volt.
  • Overeenkomsten:
    • Energietransitie: Een sterke toewijding aan klimaatdoelen en investeringen in duurzame energiebronnen. GroenLinks-PvdA en SP zijn echter tegen kernenergie, terwijl D66 en Volt dit als noodzakelijk onderdeel zien [GL_PVDA, SP, D66, Volt bronnen]. Alle partijen willen investeren in het elektriciteitsnet en isolatie van woningen.
    • Sociale Rechtvaardigheid: Grote nadruk op het bestrijden van ongelijkheid, versterken van publieke voorzieningen (zorg, onderwijs, OV) en een sterker sociaal vangnet [GL_PVDA, SP, D66, Volt bronnen]. SP pleit voor nationalisatie van energie- en warmtebedrijven [SP_Concept_Verkiezingsprogramma.pdf].
    • Woningbouw: Prioriteit voor betaalbare woningen, aanpak van leegstand en speculatie. GL-PvdA, SP, D66 en Volt willen de kostendelersnorm afschaffen en meer overheidsregie op de woningmarkt [GL_PVDA, SP, D66, Volt bronnen].
    • Europa: Over het algemeen pro-Europees, waarbij Volt pleit voor vergaande Europese integratie en zelfs een federale EU [volt_concept_verkiezingsprogramma_2025.pdf].
  • Grote uitdagingen: Het beleid ten aanzien van kernenergie is een significant verschil dat een coalitie tussen deze partijen aanzienlijk kan bemoeilijken. Ook de mate van staatsinterventie (bijvoorbeeld de nationalisatieplannen van de SP) kan frictie geven met de meer liberale accenten van D66 en Volt.

4. Midden-Coalitie (Grote compromissen vereist):

  • Een coalitie die partijen uit verschillende blokken combineert (bijvoorbeeld VVD met D66 of GroenLinks-PvdA, of NSC met GroenLinks-PvdA).
  • Overeenkomsten: Zou kunnen zoeken naar een middenweg op economisch en sociaal gebied, en compromissen moeten sluiten over de aanpak van de energietransitie en migratie.
  • Grote uitdagingen: Fundamentele verschillen over de rol van de overheid (marktwerking versus publieke regie), migratiebeleid en de keuze voor of tegen kernenergie zouden in zo’n coalitie veel frictie opleveren. NSC en BBB pleiten bovendien voor een “regieakkoord” in plaats van een “regeerakkoord” met dichtgetimmerde afspraken, wat ingaat tegen de traditie van brede coalitieakkoorden [BBB_VERKIEZINGSPROGRAMMA_NOV2023_Corr5.pdf, NSC partijprogramma.pdf].

Welke partijen hebben er ‘echt verstand van’?

De bronnen bieden geen onafhankelijk oordeel over welke partijen “echt verstand hebben van” de energietransitie of andere beleidsgebieden. Elke partij presenteert haar eigen programma als realistisch, evenwichtig, toekomstgericht [BBB, 2], gebaseerd op daadkracht [D66, 145], deskundig werk [GL_PVDA, 171], inhoud [NSC, 227] of expertise en kennis [VVD, 503].

Sommige partijen, zoals FVD en BBB, uiten kritiek op de huidige manier van beleidsvorming, met name de doorrekening door het Centraal Planbureau (CPB). FVD stelt dat de doorrekeningssystematiek “grondig mis” is, omdat deze alleen voorstellen binnen “huidige beleidskaders” in overweging neemt en geen “visie voor de lange termijn” toelaat [fvd verkiezingsprogramma-2025.pdf]. BBB bekritiseert dat “verkokerde blik” in plaats van een “brede blik” wordt gehanteerd, en dat dagelijkse zorgen worden weggezet als “onderbuikgevoelens” door politici die denken dat mensen “nergens verstand van heeft” [BBB, 7, 9]. Deze partijen claimen dus een breder of dieper inzicht in de realiteit dan de gangbare methoden van beleidsanalyse.

Andere partijen, zoals GroenLinks-PvdA [GL_PVDA, 170] en SGP [SGP, 400], laten hun programma juist doorrekenen door het CPB om de realistische aard van hun plannen te onderstrepen.

Uiteindelijk positioneert elke partij zich als de meest competente en inzichtelijke partij om de uitdagingen van Nederland aan te gaan, maar de criteria voor “echt verstand” zijn onderwerp van politiek debat.

ISSO 55.1 (2024) Update – Legionellapreventie in leidingwater

Voordat ik de nieuwe checklist Legionellapreventie behandel wil ik eerst aangeven wat er in de ISSO 55.1 is aangepast.

De belangrijkste wijzigingen in de uitvoering van legionellapreventie, voortkomend uit de verschillen tussen de ISSO-publicatie 55.1 (2012) en de publicatie_isso-publicatie-55-1-legionellapreventie-in-leidingwater_2024.pdf (2024), zijn:

Risicoanalyse:

○ Er is nu een beslisboom (BRL 6010) om de juiste werkwijze voor de risicoanalyse te bepalen. Dit helpt bij de keuze tussen een beperkte of uitgebreide analyse.

○ De rapportage van de risicoanalyse heeft een aangepaste indeling conform de BRL 6010.

○ Er is meer nadruk op de inventarisatie van tappunten en het vastleggen van gegevens over het gebruik, de installatie en de omgevingstemperaturen.

○ Bij bestaande installaties is er aandacht voor het opsporen van hotspots, afgedopte leidingen en keerkleppen.

○ Bij nieuwe installaties is het documenteren van weggewerkte leidingen belangrijk, evenals de controle van hotspots en watertemperaturen na oplevering.

○ Er is een onderscheid tussen een eenvoudige en een formele risicobeschouwing.

Beheersplan:

○ De benaming “alternatieve technieken” is veranderd naar “beheerstechnieken”.

○ Het beheersplan moet nu aangepast zijn aan de BRL-K14010, inclusief de toevoeging van BRL-K14010-3 over chemische beheerstechnieken.

○ Het beheersplan moet ook aangepast worden bij wijzigingen in het gebruik van de installatie.

Monstername is verduidelijkt als een controlemaatregel en niet langer als een beheersmaatregel op zichzelf.

Beheersmaatregelen:

○ Er is een mogelijkeid tot actieve koeling van drinkwaterleidingen, als aanvulling op isolatie en verlegging van leidingen.

Duurzaam watergebruik bij het spoelen is toegevoegd als aandachtspunt.

○ Er moet rekening worden gehouden met de aangroeipotentie van verschillende materialen als risicofactor.

○ Er is een aangepast spoelprotocol voor nooddouches, in navolging van een RIVM-advies over het legionellarisico.

Automatisering van beheersmaatregelen wordt sterk aangeraden. Dit omvat het meten van watertemperaturen, het registreren van tapgedrag en het automatisch spoelen van tappunten.

○ Bij de keuze voor automatisering is een kosten/batenanalyse belangrijk. Factoren zoals investeringskosten, exploitatiekosten en risicoreductie spelen hierbij een rol.

○ Indien er sprake is van overschrijdingen van de norm voor legionella (100 kve/l), moeten correctieve maatregelen worden getroffen, gevolgd door monstername en analyse om het effect te beoordelen.

Specifieke aandachtspunten:

○ Er is een focus op het voorkomen van stagnatie in leidingen, zoals bij dubbele leveringspunten en ringleidingen.

○ Bij drukverhogingsinstallaties is er aandacht voor de verversing van het schakelvat, met een advies om de temperatuur te meten en bij een negatieve beoordeling maatregelen te treffen.

○ Voor brandslanghaspels zijn er specifieke eisen aan de aansluiting op de leiding, met verschillende opties voor beheer.

Deze wijzigingen in de uitvoering benadrukken het belang van een systematische aanpak, waarbij de risicoanalyse grondig wordt uitgevoerd, het beheersplan actueel blijft en de beheersmaatregelen adequaat worden toegepast. De versie van 2024 van de ISSO-publicatie 55.1 biedt een actueel kader voor legionellapreventie, met aandacht voor duurzaamheid en de inzet van geautomatiseerde technieken.

Zonnepanelen in bestaande installaties

Sinds kort zijn de normen aangepast voor de integratie van een PV-installatie in een bestaande installaties. Hieronder een kort overzicht met aandacht voor veiligheid en beste praktijkvoorbeelden.

Het toevoegen van een PV-installatie aan een bestaande elektrische installatie vereist zorgvuldige planning en uitvoering om de veiligheid te waarborgen en te voldoen aan de relevante normen.

Inspectie en Beoordeling:

NEN 1010:2020+C1:2024 (hoofdstuk 712.6 en 722.6.4.1.1): Voordat u begint, is een grondige inspectie van de bestaande installatie essentieel. Controleer of de installatie voldoet aan de huidige eisen van NEN 1010. Besteed speciale aandacht aan de bescherming tegen overstroom, aangezien de PV-installatie de belastingsstroom zal verhogen.
Capaciteit: Beoordeel de capaciteit van de bestaande verdeelinrichting en bedrading. De toegevoegde belasting van de PV-installatie mag de nominale waarden van de componenten niet overschrijden.
Kortsluitstroom: Bepaal de kortsluitstroom van de aansluiting. Deze informatie is cruciaal voor de keuze van de juiste beveiligingstoestellen voor de PV-installatie.
Spanningsopdrijving: Meet de circuitimpedantie van de aansluiting om spanningsopdrijving te beoordelen. Een te hoge impedantie kan leiden tot ongewenste afschakeling van de omvormer.

Ontwerp en Componentkeuze:

NEN 1010:2020+C1:2024 (hoofdstuk 712) en NEN 4010:2024 (hoofdstuk 4.7 en 5.7): Het ontwerp van het PV-systeem moet voldoen aan de eisen van NEN 1010 en NEN 4010. Kies componenten – PV-panelen, omvormer, bekabeling, aansluitkasten, beveiligingstoestellen en scheiders – die voldoen aan de relevante normen.
Omvormer: De keuze van de omvormer is afhankelijk van het type installatie, het vermogen van de PV-panelen en de gewenste functionaliteit (bijvoorbeeld de mogelijkheid tot monitoring).
Overspanningsbeveiliging: NEN 4010 geeft richtlijnen voor overspanningsbeveiliging. Afhankelijk van factoren zoals de lengte van de kabeltrajecten en de locatie, kunnen overspanningsafleiders (SPD’s) nodig zijn aan zowel de AC- als DC-zijde.
Scheiding: Installeer een lastscheider aan de DC-zijde van de omvormer om de omvormer veilig te kunnen isoleren voor onderhoud.


Installatie:

NEN 4010:2024 (hoofdstuk 5.7) en NPR 5310:2024 (deel 712): De installatie moet worden uitgevoerd door een gekwalificeerde installateur die bekend is met de relevante normen en richtlijnen.
DC-bekabeling: Kies de juiste kabeltypes en installatiemethoden voor de DC-bekabeling. Houd rekening met uitwendige invloeden, mechanische belasting en brandveiligheid. Zorg voor een deugdelijke bevestiging en bescherming van de kabels.
Aarding: Zorg voor een correcte aarding van de PV-installatie. De functionele aardleiding moet worden aangesloten op de juiste punten in de installatie.
Markering en Identificatie: Label en identificeer alle componenten van de PV-installatie duidelijk. Dit is essentieel voor veiligheid en onderhoud.

Inspectie en Beproevings:

NEN 1010:2020+C1:2024 (hoofdstuk 712.6) en NPR 5310:2024 (deel 712): Na de installatie moet een eerste inspectie en beproeving worden uitgevoerd. Controleer de installatie op overeenstemming met de eisen van NEN 1010 en NEN-EN-IEC 62446-1.
Metingen: Voer de nodige metingen uit, zoals isolatieweerstand, aardverspreidingsweerstand, functionele beproevingen en eventueel een I-V-curvemeting.
Documentatie: Verstrek de eigenaar de systeemdocumentatie, inclusief installatieschema’s, handleidingen en instructies voor veilig gebruik en onderhoud.

Belangrijk:

  • Raadpleeg altijd de documentatie van de fabrikant van de PV-componenten voor specifieke installatie-instructies en veiligheidsvoorschriften.
  • Het werken met elektriciteit kan gevaarlijk zijn. Laat de installatie van de PV-installatie altijd uitvoeren door een gekwalificeerde installateur.
  • Door deze richtlijnen te volgen en de relevante normen te raadplegen, kunt u ervoor zorgen dat de PV-installatie veilig en efficiënt wordt geïntegreerd in de bestaande elektrische installatie.

Aanvullende Informatie:

Netbeheerder: Meld de PV-installatie aan bij de netbeheerder. Dit is belangrijk om compatibiliteitsproblemen te voorkomen en te zorgen dat de installatie voldoet aan de eisen van het elektriciteitsnet.

Overzicht van de Bronnen
De bronnen bevatten fragmenten uit vier verschillende Nederlandse normen:
● NEN 1010 (2020, C1_2024): Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties. Dit is de hoofdstroomnorm die de eisen voor elektrische installaties in Nederland vastlegt.
● NEN 4010 (2014): Elektrische installaties voor laagspanning – Eisen voor de algemene Nederlandse installatiepraktijk. Dit is een vereenvoudigde versie van NEN 1010, gericht op de meest voorkomende installaties in Nederland.
● NEN 8012-1 (2023): Keuze van elektrische leidingen en glasvezelleidingen met betrekking tot het gedrag bij brand – Deel 1: Beperking van het ontwikkelen van brand en rook volgens het Bouwbesluit 2012. Deze norm specificeert eisen aan de brandklassen en rookklassen voor leidingen in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012.
●NEN 8012-2 (2023): Keuze van elektrische leidingen en glasvezelleidingen met betrekking tot het gedrag bij brand – Deel 2: Beperking van gevolgschade door brand en rook. Dit deel van NEN 8012 gaat in op de beperking van gevolgschade door brand en rook in relatie tot elektrische leidingen.
●NEN-EN 13501-6 (2014): Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen – deel 6 – classificatie op grond van resultaten van beproeving van brandgedrag kabels.
●NPR 5310 (2024): Nederlandse praktijkrichtlijn bij NEN 1010. Deze richtlijn biedt toelichting en praktijkvoorbeelden bij NEN 1010.

Bij het selecteren van leidingen is het van belang om zowel NEN 1010 als het Bouwbesluit 2012 te raadplegen om te voldoen aan de eisen voor brandveiligheid.
Aanvullende Opmerking:

Belangrijke Inzichten:

  • De bronnen benadrukken de belangrijkheid van veiligheid bij het ontwerp, de installatie en de inspectie van elektrische installaties, inclusief PV-installaties.
  • De normen specificeren gedetailleerde eisen met betrekking tot aspecten zoals bescherming tegen elektrische schokken, overstroom, overspanning en brand.
  • De praktijkrichtlijn NPR 5310 biedt praktische ondersteuning bij het begrijpen en toepassen van de eisen uit NEN 1010.
  • De bronnen belichten ook de relevantie van het Bouwbesluit 2012 bij het selecteren van leidingen met de juiste brandklassen en rookklassen.
  • De fragmenten uit NEN 1010 illustreren de complexiteit van de norm en de noodzaak om de norm grondig te bestuderen bij het werken met elektrische installaties.
  • Gebruik van de Bronnen:
  • NEN 1010 is de basisnorm die moet worden geraadpleegd.
  • NEN 4010 kan worden gebruikt als een toegankelijkere handleiding voor de meest voorkomende installaties.
  • NPR 5310 biedt extra ondersteuning en verduidelijking bij de toepassing van NEN 1010.

Het is belangrijk op te merken dat dit overzicht gebaseerd is op de fragmenten die in de bronnen zijn opgenomen. Voor een volledig begrip van de eisen en richtlijnen is het essentieel om de volledige tekst van de relevante normen en richtlijnen te raadplegen.

Wonen

Aangezien er steeds meer aanvragen komen van particulieren heb ik een aparte pagina aangemaakt om deze vragen te kunnen beantwoorden. Meestal zijn de vragen orienterend van aard. De hoofdvraag is of ik in beeld kan brengen wat het verschil is tussen het huidige gasverbruik en de overstap naar volledig elektrische installaties inclusief elektrische rijden en zelf energie opwekken.

Momenteel wordt in huizen het gas gebruikt voor drie doeleinden. Namelijk het verwarmen van de woning, het leveren van warm tapwater voor douche & bad en het koken. Voor het verwarmen van de woning en warm tapwater kan de gasketel vervangen door een electrische installatie zoals elektrische warmtepomp en/of boiler. De andere aanpassing is de gas kookplaat die ingewisseld wordt voor een elektrsiche inductie kookplaat. Als basis voor de vergelijking gebruik ik de huidige situatie en zet de verwachte nieuwe energievariant naast elkaar. De kosten voor de aanpassingen kunnen ook inzichtelijk gemaakt worden waarmee u een beeld krijgt van de investering en de de nieuwe vaste lasten.

Om een bijdrage te leveren an het terugdringen van verbruik van fossiele brandstoffen wordt door woningeigenaren gekeken naar de mogelijkheden van een elektrische auto en het zelf opwekken en opslaan van energie met een eigen bodembron, zonnepanelen en/of zonneboiler.

Ik help u graag bij het inzichtelijk maken van de huidige situatie en de mogelijkheden bij een nieuwe situatie met elektriciteit, warmte en koude als energiebron.

Arjan van der Sar